1 (edited by kwb 2018-01-16 12:10:11)

Topic: De positie van Amerika bij een aanval van Indonesie op Nieuw Guinea.

DE POSITIE VAN AMERIKA BIJ EEN AANVAL VAN INDONESIE OP NIEUW GUINEA / HET BRIEFJE VAN JOHN FOSTER DULLES.
.
Toen Indonesië zich in snel tempo ging bewapenen en de kans op Indonesische agressie jegens Nederlands Nieuw Guinea steeds groter werd, heeft mr. Luns, na overleg binnen het kabinet, getracht zich te verzekeren van internationale diplomatieke en militaire steun. Diplomatieke steun kreeg Nederland aanvankelijk, zoals eerder uiteengezet, o.a. in beperkte mate van Australië, terwijl militaire steun voor het eerst ter sprake is gekomen tijdens een NAVO-vergadering in Kopenhagen, begin mei 1958.
.
Tijdens die bijeenkomst heeft de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, John Foster Dulles, vermoedelijk in duidelijke bewoordingen, stelling genomen tegen mogelijk militair optreden van Indonesië op Nieuw Guinea. Onder invloed van de scherpe Indonesische reactie op hetgeen van zijn uitspraken via de pers bekend geworden was, kwam Foster Dulles echter snel op zijn woorden terug.
.
Deze weifelende houding is te verklaren vanuit het dilemma waarvoor de Verenigde Staten zich in 1958 geplaatst zagen, nadat de opstand in Indonesië, waaraan zij actief steun hadden verleend, nagenoeg was onderdrukt. Enerzijds kon Washington zich niet veroorloven Indonesië nog meer tegen zich in het harnas te jagen, omdat de precaire situatie in Zuid-Oost Azië in het algemeen en de mogelijkheid van een bondgenootschap van Indonesië met de Sovjet Unie of de Volksrepubliek China in het bijzonder dat niet toelieten. Anderzijds zou het wenselijk zijn om, indien Indonesië inderdaad in de Russische of Chinese invloedssfeer zou komen te liggen, in de directe nabijheid, bijvoorbeeld op westelijk Nieuw Guinea, een Amerikaans militair steunpunt te hebben.
.
Amerika bleef dus neutraal. In de woorden van ambassadeur Jones: ‘American policy therefore followed what seemed a sound and pragmatic course in remaining neutral about an issue in which right and wrong were somewhat obscure and the national interest seemed not to be directly concerned’.
.
Na afloop van een diner op de Nederlandse ambassade in Washington op 7 oktober 1958, is Foster Dulles onder druk van Luns bereid gebleken een schriftelijke verklaring af te geven. Alles wijst er op dat wat Foster Dulles toen heeft vastgelegd, niet meer is geweest dan een vage verklaring, die hooguit als een waarschuwing aan het adres van Jakarta kon worden beschouwd. Een aanwijzing daarvoor is de tekst van de verklaring die, naar aanleiding van de contacten tussen Luns en Foster Dulles, op 8 oktober 1958 werd uitgegeven.
.
Deze verklaring is namelijk zeer gematigd van toon en de inhoud ervan verraadt niets van een ‘duidelijke en nadrukkelijke verzekering’ van de kant van Foster Dulles aan het adres van Nederland. Het wordt nu duidelijk waarom Luns de verklaring van Foster Dulles nooit, aan wie dan ook, heeft willen laten zien. Dan zouden namelijk ook zijn collega-ministers, alsmede de leden van de Eerste en Tweede Kamer, direct hebben geweten dat ervan Amerikaanse garanties aan Nederland geen sprake was.
.
Daarmee zou dan de hoeksteen onder het Nieuw Guinea beleid van Luns zijn weggevallen, waardoor hij niet langer in staat zou zijn geweest zijn harde lijn tegenover Indonesië door te trekken. Wat Luns tegenover zijn collega-ministers en tegenover de leden van de Eerste en Tweede Kamer over de vermeende Amerikaanse garanties heeft verteld, is dus in hoge mate misleidend geweest, ondanks wat Foster Dulles Luns misschien in informele contacten heeft gezegd. Daardoor draagt mr. Luns, als geen ander, een grote verantwoordelijkheid voor wat rond Nieuw Guinea van 1958 tot aan de overdracht aan de Verenigde Naties eind 1962, is voorgevallen.
.
Anno 1984 blijkt Luns zich zijn contacten met de Verenigde Staten veel minder vrijmoedig te herinneren dan voorheen. Dit is ongetwijfeld te verklaren in het licht van zijn aftreden als Secretaris-Generaal van de NAVO, waardoor Luns nu politiek veel minder kwetsbaar is. Maar het feit dat Luns’ uitlatingen van 1984 zo duidelijk in tegenspraak zijn met wat hij in het verleden steeds heeft gezegd, accentueert zijn verantwoordelijkheid voor de gang van zaken eens te meer.
.
.
[Misleiding of zelfbedrog / R.A. Gase]
.
.

Re: De positie van Amerika bij een aanval van Indonesie op Nieuw Guinea.

Driemansgesprek over Nw. Guinea
LUNS EN CASEY NAAR DULLES
Aansluiting bij defensiepact in Pacific?

(Van onze Haagse redactie)
.
DEN HAAG, donderdag. DE kwestie van de Amerikaanse en mogelijk Britse wapenleveranties aan Indonesië heeft een nieuw aspect gekregen. Minister mr. J. M, A. H. Luns, die zaterdag naar de Ver. Staten vertrekt, zal hierover samen met zijn Australische ambtgenoot, Richard G. Casey, die verleden week Den Haag bezocht, in Washington gaan confereren met John Foster Dulles, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken. Hoewel het eigenlijke reisdoel van minister Luns bestaat uit het bijwonen van de dertiende algemene vergadering van de UNO in New York. ziet het ernaar uit, dat de conferentie van de drie bewindslieden in Washington voor de belangen van ons koninkrijk van heel wat meer gewicht zal zijn dan de besprekingen in de Assemblee der volkerenorganisatie.
.
Dr. Platteel heeft zich „ietwat vergaloppeerd”
.
HET Nederlands-Australische ministerduo, dat het volgens eigen getuigenis eens geworden was over het beleid inzake Nieuw Guinea, zal de aandacht van Dulles vestigen op de volharding van de Indonesische regering in haar, door de UNO verworpen, aanspraken op "West-Irian" en de daarop doelende dreigementen. Daarbij zullen de onwelkome Amerikaanse wapenleveranties aan het Soekarno-regime van Nederlandse zijde niet onbesprokenblijven.
.
Het is van grote betekenis, dat de Australische staatsman Casey, die ook het vertrouwen geniet van de Britse regering, aan dit gesprek met Dulles zal deelnemen, want van zijn advies zal het voornamelijk afhangen, of Engeland de plannen om Djakarta van militaire uitrusting te voorzien en om Indonesische officieren op te leiden, zal uitvoeren. Onze minister zal stellig trachten, de Amerikaanse bondgenoot ervan te overtuigen, dat het steunen van de Indonesische chef staf Nasoetion, omdat hij anti-communistisch gezind zou zijn, geen garantie biedt tegen Indonesische kwaadwilligheid jegens Nieuw Guinea.
.
STILZWIJGEN
Weliswaar heeft minister Casey er herhaaldelijk op gewezen, dat hij niet van Indonesische agressieplannen wil uitgaan, zolang Diakarta het tegendeel verzekert, maar over de wapenleveranties van Amerikaanse en Britse zijde bewaarde hij tot nu toe een opvallend stilzwijgen. Zowel mr. Luns als zijn Australische collega heeft ontkend, dat zij een militair bondgenootschap voor de gemeenschappelijke verdediging van Nieuw Guinea in de zin hebben.
.
Bij het komende overleg zal een ander middel om de integriteit van ons gebiedsdeel te garanderen, besproken worden, nl. toetreding van Nederland tot een van de bestaande defensiegemeenschappen in het Pacificgebied, waarbij zowel de V.S. als Australië betrokken zijn. De SEATO (de NATO voor Zuidoost-Azië) of het ANZUS-pact, waarin ook Nieuw Zeeland is opgenomen.
.
ALGEMEEN BELANG
Opmerkelijk is in dit verband, dat minister Casey in de afgelopen week uitdrukkelijk verzekerd heeft, dat de Nederlandse soevereiniteit in westelijk Nieuw-Guinea niet alleen een Nederlands, maar ook een algemeen geallieerd belang is. Zo gezien kan het op de weg liggen van Amerika en Australië, Nederland, ter wille van deze vitale Pacific-belangen in SEATO of ANZUS-pact te introduceren. Hierdoor zou tevens de aanvankelijk gedesavoueerde uitlating van dr. P. J. Platteel, gouverneur van Nederlands Nieuw Guinea, in een ander licht komen te verkeren.
.
Op een persconferentie in Port Moresby, de hoofdstad van Australisch Nieuw Guinea, had deze verklaard, dat onze regering een Nederlands-Australische militaire alliantie zou toejuichen. In regeringskringen wordt nu gezegd, dat dit een „spontane uiting" van dr. Platteel is geweest en dat hij zich daarmee ietswat heeft „vergaloppeerd". Er wordt echter aan toegevoegd, dat dit voorval geen ernstige consequenties zal hebben voor de gouverneur en dat „men het maar moet vergeten".
.
[De Telegraaf, 4 Sept. 1958]
.
.
.

3 (edited by kwb 2018-01-15 14:50:35)

Re: De positie van Amerika bij een aanval van Indonesie op Nieuw Guinea.

BELEID IN KWESTIE NIEUW GUINEA.
Kabinet zit omhoog met erfenis Luns.

.
DEN HAAG, 8 juli - Het kabinet weet niet goed raad met het verzoek van de vaste Kamercommissie Buitenlandse Zaken om een onderzoek te laten doen instellen naar de Nederlandse politiek in het conflict over Nieuw Guinea en de rol daarin van de voormalige minister van Buitenlandse Zaken, mr J. Luns.
.
Minister-president Biesheuvel verklaarde gisteravond op zijn wekelijkse persconferentie desgevraagd. dat de zaak in het kabinet besproken is. Vier ministers werken nu aan een brief, die aan de Kamercommissie gestuurd zal worden. Dat zijn de minister-president zelf, Luns' opvolger drs Schmelzer, minister Geertsema van Binnenlandse Zaken en mimister De Brauw van Wetenschapsbeleid. Inzet van een eventueel onderzoek zou de vraag moeten zijn of oud-minister Luns inderdaad Amerikaanse toezeggingen heeft gehad, dat de Verenigde Staten de Nederlandse claim op Nieuw Guinea zouden steunen. De oud-bewindsman beweert van wel.
.
De beweringen van Luns zijn aangevochten door de Amsterdamse journalist W. Oltmans en ook door de Amerikaanse columnist Jack Anderson, bekend om zijn onthullingen in The Washington Post. Hij schreef op 27 februari van dit jaar, dat Luns verzeild dreigt te raken in een schandaal van de eerste orde.
.
Woordbreuk
Luns beschuldigde de Amerikanen voor het eerst van woordbreuk in 1962, aldus Anderson, het jaar waarin Nederland Nieuw Guinea overfroeg aan Indonesie. In 1969 zei Luns, dat de Nederlandse regering "concrete beloften" had gekregen van de Kennedy's: de Verenigde Staten zouden Nederland door dik en dun steunen tegen de aanspraken van Djakarta.
.
Volgens Andersons lezing van de gebeurtenissen meent Luns dat de toenmalige Amerikaanse president John F. Kennedy zijn belofte gebroken heeft op aandrang van zijn broer Robert. Deze bracht destijds een vriendschappelijk bezoek aan Soekarno. Anderson schreef, dat Luns Robert Kennedy "anti-Nederlands" vond.
.
Anderson is van mening, dat de regering Kennedy Nederland nooit iets beloofd heeft. Hij baseert dat oordeel op verklaringen van adviseurs van de Kennedy's als Theodore Sorensen, Arthur Schlessinger, en McGeorge Bundy.
.
John Foster Dulles, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken onder Eisenhower, heeft volgens Anderson evenmin iets aan Luns beloofd. Een van diens medewerkers voor zaken betreffende het Verre Oqsten, Howard Palfrey Jones, verklaarde tegenover Anderson, dat van toezeggingen geen sprake is geweest.
.
Conferentie
De kwestie is van belang, omdat Luns zijn houding op de de Nederlandse-Indonesische conferentie in Geneve verdedigt met de Amerikaanse toezeggingen. Hij liet die conferentie mislukken, omdat de Indonesische delegatie naar zijn zeggen van president Soekarno opdracht zou hebben gekregen om het gesprek mis te laten lopen. Luns wordt gemachtigd te handelen als hij deed door de toenmalige minister-president dr W. Drees. Luns' tegenstanders zeggen, dat hij Drees verkeerd heeft voorgelicht.
.
Het onderzoek naar de ware toedracht van de gebeurtenissen zou moeten geschieden door de Rijkscommissie voor de vaderlandse gechiedenis, een instelling waarvan de Utrechtse hoogleraar prof. dr F. W. N. Hugenholz voorzitter is. Deze heeft het kabinet drie maanden geleden laten weten, dat de commissie kans ziet het onderzoek uit te voeren, zij het onder bepaalde voorwaarden.
.
Geheimhouding
De commissie schreef in een vertrouwelijke brief, dat zij in het geval van een opdracht inzage wenst van alle stukken, ook van de notullen van de kabinetsvergaderingen van die tijd. Premier Biesheuvel en minister De Brauw schijnen de betreffende stukken wel te willen overleggen, al geldt eigenlijk een geheimhoudingsplicht van vijfentwintig jaar. Zij willen sommige stukken echter beschouwen als privecorrespondentie.
.
Op zijn wekelijkse persconferentie zei Biesheuvel op 9 juni, dat het kabinet op 16 juni een beslissing zou nemen. Hoewel op die datum en later voortdurend naar een kabinetsbesluit geinformeerd is, zijn nooit concrete mededelingen gedaan. "Sommige dingen duren iets langer dan je wil", zei de minister-president gisteravond.
.
[De Volkskrant, 8 Juli 1972]
.
.
.

4 (edited by kwb 2018-01-16 12:12:44)

Re: De positie van Amerika bij een aanval van Indonesie op Nieuw Guinea.

Regering weigert vervolging Luns
(Van onze correspondent)
.
DEN HAAG, 18 jan. - De regering zal niet voldoen aan het verzoek van de publicist Willem Oltmans om een vervolging in te stellen tegen oud-minister Luns wegens opzettelijke misleiding van de toenmalige premier Drees rond het Nieuw Guinea-beleid.
.
Oltmans had om te beginnen het verkeerde adres gekozen voor zijn verzoek. Hij schreef zijn brief rechtstreeks aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad, maar dat moest volgens de grondwet-bepalingen de regering of de Tweede Kamer zijn. Omdat hij van zijn brief een afschrift had gestuurd naar premier Biesheuvel, vroeg hij de ministerpresident telegrafisch om deze kopie te beschouwen als een verzoek aan de regering om de procureur-generaal opdracht te geven mr Luns te vervolgen. De rijksvoorlichtingsdienst deelde maandagavond mee, dat van een vervolging geen sprake zal zijn.
.
Oltmans motiveerde zijn verzoek om vervolging onder meer met de conclusie, dat mr Luns destijds opzettelijk de Geneefse conferentie met een Indonesische regeringsdelegatie heeft laten mislukken. Volgens Oltmans is oud-premier Drees later gebleken, dat hij door Luns was misleid. Dr Drees zou dat tegenover verschillende personen, die Oltmans als getuigen gehoord wil zien, hebben bevestigd, ook schriftelijk. Een van die getuigen zou dr Van Roijen moeten zijn, destijds ambassadeur van Nederland in Washington.
.
Oud-premier Drees zei desgevraagd: „Ik was voorbereid op de brief van Oltmans aan de procureur-generaal. Oltmans wilde allerlei informaties van me hebben, ondermeer over de vraag waarom ik hem dertien jaar geleden niet wilde ontvangen. Hij heeft eind vorig jaar in Vrij Nederland gesuggereerd, dat ik misleiding door Luns zou hebben toegegeven. Dat is volstrekt onjuist. Ik heb Luns toen een briefje geschreven met mijn bereidheid om dat tegen te spreken. Het werd niet nodig gevonden om erop terug te komen. Oltmans wil blijkbaar alles mobiliseren om gelijk te krijgen. In het 'boek over Luns van Michel van der Plas is ook een passage aan Oltmans gewijd. Hij kwam er niet best af, aldus de oud-premier. Mr Luns zelf heeft maandag geen enkel commentaar willen geven op de actie van Willem Oltmans.
.
[De Volkskrant, 18 Jan. 1972]
.
.
.

5 (edited by kwb 2018-01-15 14:48:06)

Re: De positie van Amerika bij een aanval van Indonesie op Nieuw Guinea.

EEN SCHANDAAL VAN DE EERSTE ORDE VOORKOMEN.   lol  big_smile
.
http://forum.waterkant.net/viewtopic.ph … 96#p516596
.
.

6 (edited by kwb 2018-01-16 12:14:55)

Re: De positie van Amerika bij een aanval van Indonesie op Nieuw Guinea.

Luns noemt „bewijs" Oltmans „oude koek"
.
Door een onzer redacteuren DEN HAAG, BRUSSEL, 8 juni - De journalist W. L. Oltmans heeft de Kamercommissie voor buitenlandse zaken formeel gevraagd te overwegen „of een parlementaire enquête inzake het Nieuw-Guineabeleid thans niet dringend gewenst is". Oltmans vindt dat met zekerheid kan worden gesteld, „dat exminister Luns onder valse voorwendselen, middels insubordinatie jegens het kabinet, langs de weg van leugens jegens president Soekarno en president Kennedy, de Nederlandse regering en het gehele Nederlandse volk heeft bedonderd."
.
Oltmans duidt hiermee op de vraag of de Verenigde Staten ons ooit concrete beloften hebben gedaan voor militaire steun in het conflict over Nieuw-Guinea. De journalist beroept zich o.m uitspraken van oud-premier Drees sr. Mr. Luns, die dit steeds ter verdediging van zijn politiek heeft gesteld, was vanochtend niet bereikbaar. Maar een van zijn medewerkers zei dat het hier om „oude koek gaat, waaraan de heer Luns zijn tijd niet wenst te verspillen".
.
Oud-premier dr. Drees zei vanochtend: „De oorsprong van het vertrouwen van de heer Luns, dat Amerika in de kwestie Nieuw-Guinea onze zijde zou kiezen, was gebaseerd op een mondelinge verklaring die Foster Dulles hem in Kopenhagen heeft gedaan. „De heer Luns heeft hiervan verslag uitgebracht in de kabinetsvergadering van 19 mei 1958 - en ik heb toen de opmerking gemaakt dat het wenselijk was als wij grotere zekerheid zouden verkrijgen - het was een mondelinge verklaring, er was niets op schrift gezet - en ook dat Dulles een dergelijke mededeling dan ook naar Indonesische zijde zou doen.
.
Er wordt nu de indruk gewekt alsof Luns het kabinet zou hebben misleid, en alsof de mededelingen in het kabinet wellicht niet au serieux genomen moesten worden. Ik bezie dat integendeel heel positief. Er was geen sprake van misleiden - dat is pure onzin - de discussie heeft zich beperkt tot de vraag, wat er precies was gezegd. „De zaak heeft zich pas in de volgende kabinetten, waaraan ik geen deel meer had, verder ontwikkeld", aldus dr. Drees.
.
Dr. Drees heeft over deze zaak gesproken met vier studenten, die hem nadrukkelijk beloofden hiervan niets te publiceren wat hij niet eerst gelezen zou hebben. „Zij hebben mij nog opgebeld om te overleggen hoe ze het zouden aanpakken", zei hij, „en ik heb inderdaad een brief van ze gekregen, de dag vóór Oltmans zijn persconferentie hield, en waarover we nog overleg moeten plegen."
.
[NRC Handelsblad, 8 Juni 1973]
.
.
.

7 (edited by kwb Yesterday 20:06:51)

Re: De positie van Amerika bij een aanval van Indonesie op Nieuw Guinea.

Dulles gaf Luns alleen een mondelinge toezegging
.
Door een onzer redacteuren DEN HAAG, 3 juni - Mr. Luns heeft, toen hij nog minister van buitenlandse zaken was, en ook daarna, ter rechtvaardiging van zijn Nieuw-Guineabeleid herhaaldelijk betoogd, dat de Ver. Staten concrete beloften hadden gedaan inzake militaire steun aan Nederland. Luns heeft daarbij de Kennedy's van anti-Nederlandse gezindheid beticht en hierbij het woord „verraad" gebezigd.
.
De afspraak over Amerikaanse militaire steun op Nieuw Guinea zou tijdens een NAVO-conferentié te Kopenhagen tussen de heren Luns en Dulles op de wandelgangen zijn gemaakt. Ook zou er een papiertje zijn waaruit blijkt, dat dit terloopse gesprek is gehouden. Een ander kernpunt is de mededeling van de heer Luns dat Nederland tijdens het overleg in Genève een telegram van Sukarno heeft onderschept waaruit bleek - nadat de code was doorbroken - dat Indonesië zich van begin af aan ten doel had gesteld de conferentie te laten mislukken.
.
„Nooit gezien"
Puttend uit Oltmans' „achtergrondinformatie" zou de heer Drees hebben gezegd „nooit waarde te hebben gehecht aan de persoonlijke uitlating van John Foster Dulles op de wandelgangen van de NATO-conferentie". Ook zegt hij nooit een papier daarover te hebben gezien. Onwaar, aldus de heer Drees sr. is, dat Nederland een telegram naar Genève zou hebben onderschept.
.
Oud-ambassadeur Van Roijen aldus nog steeds de heer Oltmans, heeft wel van het bestaan van een papiertje gehoord, maar heeft het nooit gezien. „De heer Van Roijen verbindt hieraan de mening dat Eisenhower nooit een dergelijke militaire steun zou hebben laten toezeggen omdat dit in strijd zou zijn met zijn politiek, bijv. om de Fransen geen steun in Indo-China te geven". En: „Van Roijen heeft voortdurend Den Haag gerapporteerd dat steun als door Luns bedoeld van de VS niet te verwachten was".
.
En: „De enige belofte die de Kennedy's ooit aan Nederland hebben gedaan", zo tekende Oltmans uit Van Roijens mond op, „is ingeval van ean Indonesische aanval op Nieuw-Guinea de evacuatie van Nederlanders te garanderen"
.
Schmelzer
Ook heeft Oltmans twee citaten gepeurd uit het boek van Ammerlaan over Schmelzer. Daarin zegt de heer De Quay (pag. 114) dat hij pas tijdens het bezoek aan Robert Kennedy aan Den Haag, op 22 februari 1962, „aan het denken is gezet" over Luns' pertinente bewering over toegezegde Amerikaanse steun. Kennedy zou bij die gelegenheid geïrriteerd hebben geïnformeerd hoe Luns dacht de strijd tegen Sukarno te winnen.
.
Uit hetzelfde boek laat Oltmans een citaat volgen waaruit blijkt dat Schmelzer altijd al heeft getwijfeld aan de Amerikaanse toezeggingen als door Luns voorgesteld. „Bovendien lapt Luns (pag. 119) kabinetsinstructie aan zijn laars" (om Dean Rusk in Athene te zeggen dat Nederland de plannen van Bunker steunt). Overigens ontving de heer Oltmans nog op 2 juli 1970 een brief van de heer Schmelzer waarin deze schrijft dat de commissie (voor buitenlandse zaken) het in deze omstandigheden en dit geval niet haar taak acht gevraagd onderzoek in te stellen".
.
Howard Palfrey Jones, de Amerikaanse onderminister voor zaken betreffende het Verre Oosten schrijft in een brief aan Oltmans dat „het de eerste keer is dat hij heeft gehoord van afspraken tussen Luns en Dulles zoals Luns heeft voorgesteld". De kans dat zo'n onderzoek er komt, lijkt groter dan een jaar geleden. De huidige premier, toen nog oppositieleider, Den Uyl schreef Oltmans toen: „Op dit moment zie ik geen directe aanleiding om de kwestie weer in de Kamer te brengen. Het lijkt me toe dat meer bereikt wordt door de hele affaire nog eens goed in de krant te zetten. We kunnen er dan eventueel later nog op terugkomen. De zaak heeft zeker mijn belangstelling".
.
[NRC Handelsblad, 8 Juni 1973]
.
.
.

8 (edited by kwb Yesterday 20:09:00)

Re: De positie van Amerika bij een aanval van Indonesie op Nieuw Guinea.

Memorandum of Conversation
Copenhagen, May 7, 1958, 11:30 a.m.
.
UNITED STATES DELEGATION TO THE 21st MINISTERIAL
MEETING OF THE NORTH ATLANTIC COUNCIL
Copenhagen, Denmark, May 5-7,1958

.
PARTICIPANTS
United States                       
The Secretary                       
.
Netherlands
Foreign Minister Luns
.
SUBJECT
Indonesian Designs on West New Guinea
.
Foreign Minister Luns thanked the Secretary for his exposition on Indonesia during the restricted NATO Council meeting, but urged that the US make more emphatic to the Indonesian government that there would be no tolerance of an armed attack on West New Guinea. The Foreign Minister said that he was convinced that if the Indonesian government knew this in advance, there would not be any such attack.
.
The Secretary replied that he was not entirely sure that an attack would in the long run be bad because if it took place it would expose the disregard by the Indonesian government of the provisions of the UN Charter. Also the Secretary thought that the permissible reaction to such an attack would be such as to give a bloody nose to the Indonesian government.
.
Foreign Minister Luns said he thought the Dutch could do that, that they were good fighters and the Indonesians were not, as shown by the fact that a handful of the Dutch had been able for many years to exercise complete control and authority over the many millions of Indonesians.
.
.
Source: Department of State, Secretary's Memoranda of Conversation: Lot 64 D 199. Secret. Drafted by Dulles. The meeting took place at Christiansborg Palace.
In Secto 49 from Copenhagen, May 7, Dulles reported on the restricted NATO Council meeting of May 7. The following summarized his statement on Indonesia:"In meantime, Secretary reported on situation in Indonesia, citing increasing tendency of Sukarno to follow more dictatorial methods with support of Soviet bloc. He reviewed action in Sumatra and the Celebes and political situation in Djakarta. He indicated that these events as well as those in Middle East show Soviet has new techniques in supplying military and economic aid to back dictatorial leaders. It was a form of indirect  aggression which is very difficult to deal with under established international law."(Ibid., Central Files, 396.1-CO/5-758)
.
[The Secretary / John Foster Dulles]
.
.
.

9 (edited by kwb Yesterday 21:46:08)

Re: De positie van Amerika bij een aanval van Indonesie op Nieuw Guinea.

Memorandum of Conversation
Washington, May 13, 1958.

.
SUBJECT
West New Guinea: "Denial of U.P. Report from Copenhagen"
.
PARTICIPANTS
Dr. J.H. van Roijen, Ambassador of the Netherlands
Mr. David Ketel, First Secretary, Embassy of the Netherlands
The Secretary
FE-Mr. Robertson
EUR-Mr. Jandrey
WE-Mr. Cameron
.
Ambassador van Roijen opened the conversation by expressing his appreciation for the opportunity of seeing the Secretary so soon after his return from the NATO Meeting in Copenhagen. The Ambassador explained that Foreign Minister Luns had asked him to express urgently to the Secretary the Dutch Government's concern at the effect in Indonesia of the denial of the UP story from Copenhagen which had reported the Secretary to have said at the NATO Meeting that an Indonesian attack on West New Guinea would have most serious consequences for South-east Asia and the Western Alliance. The Dutch Government feared that the Indonesian Government and military would interpret this denial to mean that the United States would be indifferent to such an attack.
.
The Secretary replied that when he had considered the problem of denying the UP story he had had very much in mind the possibility that the Indonesians might place such an interpretation on the denial. He had, therefore, instructed the Department that the story be denied in such a fashion that the Indonesians could not draw this inference. He was satisfied that this had been done. He did not believe that the Indonesians were under any illusions about our position. They were aware of the fact that the United States opposed the use of force for the resolution of differences. In this respect he believed that the situation was being handled as the Dutch would want. Whatever the Indonesians may say publicly, they know that the United States would not be indifferent to the use of force against West New Guinea.
.
The Secretary recalled that the possibility of an Indonesian attack on New Guinea had been mentioned in the corridors at Copenhagen in a brief exchange between him and Foreign Minister Luns. The Secretary said that he had jokingly remarked that it might perhaps be a good thing if Indonesia should try to attack West New Guinea. Foreign Minister Luns replied perhaps so, adding in the same vein that the Dutch had proved themselves good soldiers in the past and the Indonesians were still far from successful in demonstrating this capacity.
.
Ambassador van Roijen said that the Dutch Government, of course, understood that the United States was opposed to the use of force against West New Guinea. Foreign Minister Luns, however, was going before the First Chamber of the Dutch Parliament today to defend the Foreign Office Budget and he expected questions based on the denial of the UP story. He added that there had been considerable public reaction in The Hague and speculation about the possibility that the Indonesians might conclude from the denial that the United States would be indifferent to an attack on West New Guinea.
.
The Dutch Ambassador and Mr. Ketel left the Secretary's office for several minutes while the following statement which the Secretary drafted was discussed:
.
"The Netherlands Ambassador called upon the Secretary of State to inquire whether the denial by the United States of the Secretary's alleged statement at the NATO Council Meeting at Copenhagen with reference to West New Guinea meant that the United States would, in fact, be indifferent to an armed attack against West New Guinea. The Secretary said that the United States had no reason to anticipate any such attack. The Secretary went on to affirm that the United States, as its conduct had shown, was dedicated to the principle of the United Nations Charter that situations which might lead to a breach of the peace should be settled by peaceful means and in conformity with the principles of justice and international law."
.
The Ambassador and Mr. Ketel rejoined the Secretary and he gave them copies of this statement. After studying it the Ambassador said that in all frankness he must point out that he did not believe that the statement would entirely meet Foreign Minister Luns' needs since it did not contain a specific warning to Indonesia against the use of force. The Secretary replied that that was quite true but that the inference could be drawn that we would not be indifferent to the use of force against New Guinea.
.
The Ambassador again said that the absence of a specific warning would make Foreign Minister Luns' task in answering questions in Parliament more difficult. The Secretary replied that the Dutch were in  effect asking for us to change our policy and issue a public warning to Indonesia. He recognized Foreign Minister Luns' problem but he said that he would not agree to issue such a warning to Indonesia when we have no reason to anticipate an attack on West New Guinea. It was not good international practice to issue such a warning when there was no evidence to justify it. In addition, the Secretary said that Indonesian Government and military leaders know our position on this question.
.
They were informed of it, Mr. Robertson remarked, when we refused to sell them arms last November. The Secretary said that we are trying to maintain a position in the area so that elements in Indonesia opposed to communism can take control and unite the people of Indonesia. It would be in our opinion an act of folly to inject at this time the issue of Western New Guinea into the delicate Indonesian situation. If this was done, the Communist versus non-Communist character of the present struggle would be destroyed and the conflicting forces in Indonesia united in an anti-colonial campaign. The danger of increased Communist control would thereby become much greater. If the Communists did gain control the threat would not only be against West New Guinea but against Singapore, Philippines and Australia.
.
Ambassador van Roijen again returned to the likelihood of questions in Parliament and said that Foreign Minister Luns would be asked whether the United States was in fact indifferent to an attack on West New Guinea. In reply to these questions the Ambassador asked whether the Foreign Minister could say that he was convinced that the United States was opposed to such an attack. The Secretary said that he could not agree to the Foreign Minister's making such a statement.
.
The Ambassador said that he would transmit the Secretary's statement to the Foreign Minister. He asked what the Secretary had in mind about releasing the statement. The Secretary replied that he thought it might be released immediately after this conversation by the Department's spokesman. It was agreed that in replying to press questions Ambassador van Roijen would say that he had discussed the denial of the UP story with the Secretary and that the Department was releasing a statement.
.
The Ambassador then said that Foreign Minister Luns had requested him to inform the Secretary that neither the Foreign Minister nor Dutch sources had leaked the story. The Secretary commented that because of the great Dutch interest in this problem we had thought it might have been Dutch sources, or press speculation on something which some Dutch source had said. The leak had indeed created a very awkward situation and he appreciated receiving the Foreign Minister's assurances.
.
.
Source: Department of State, Central Files, 656C.56D/5-1358. Confidential. Drafted by Cameron. See Document 82.
In telegram 4165 from Djakarta, May 12, Jones reported that, according to UP representatives, Foreign Minister Luns was the source of the UP story, and suggested that Robertson might wish to pass the information to Dulles. (Department of State, Central Files, 656.56D13/5-1258)
.
[The Secretary / John Foster Dulles]
.
.
.